31 Mar, 08:55, 198 x viewed
Opstaan is voor iemand als ik een van de lastigste dingen die er is.
Ik ben namelijk een klever.
Een plakker.
Een hanger.
Een veranderingsschuwe lanterfanter.
Dat geldt niet alleen voor feestjes waar ik ben – hoewel ik daar ook goed kan blijven plakken, totdat of de alcoholische versnaperingen op raken of het licht begint te worden, niets confronterender dan fluitende vogels die de nieuwe dag inluiden terwijl jij nog een biertje open trekt – maar eigenlijk voor elke situatie waar ik in zit. Ben ik eenmaal zover dat ik een omgeving tot habitat heb omgevormd, dan ga ik niet meer weg. Dan
wil ik niet meer weg.
Dat heeft natuurlijk alles te maken met een angst voor verandering.
Als de situatie
nu goed is, waarom zou je die dan veranderen?
Krampachtig vasthouden lijkt een betere optie.
Zo is het ook met slapen.
Heb ik eenmaal mijn draai gevonden en rommel ik ’s avonds nog wat rond, zit ik net midden in een goed boek, of wacht ik samen met goede vrienden en wat wijn op het aanbreken van de nieuwe dag, dan zou het dramatisch zijn om dat moment te verbreken. Kost wat kost wil ik dat moment vasthouden, rekken en koesteren. Naar bed gaan zou betekenen dat ik het moment de rug toe keer. Zou betekenen dat ik een verandering moet ondergaan. Een nieuwe houding moet aannemen. En – god helpe me – mijn tanden moet poetsen.
Liever dus rekken. Tot het echt niet meer gaat.
Tot de ogen dichtvallen.
Tot de nekspieren het begeven en het hoofd langzaam op de borst zakt.
Misschien dan – en zelfs dan nog ‘misschien’ – zoek ik het bed op.
Eenmaal daar beland doet zich natuurlijk hetzelfde probleem voor.
Ik de warme, behaaglijke omgeving van het bed, lijkt niets verwerpelijker dan onder de dekens uit te moeten komen. De kou in. De verandering – de nieuwe dag – tegemoet.
Nee, dan liever blijven draaien en woelen onder de vertrouwde wol.
Dat is dan ook de rede waarom opstaan zo lastig in.
Het staat rechtlijnig tegenover al mijn principes. Staat symbool voor al wat ik vrees. Verandering. Motivatie. Beginnen. En meer van dat soort zaken waar ik zo’n hekel aan heb.
Zeker als het geheel dan ook nog ingeleid wordt door een piepende wekker samen met slechte radio.
Als ik een wekkerradio hoor - maakt niet uit waar ik ben, hoe laat het is of hoe wakker ik ben – begint mijn hart sneller te kloppen en gaat er een onbedwingbaar gevoel van rusteloosheid door mijn lichaam stromen. Alsof ik te laat ben. Alsof ik dingen mis en eigenlijk ergens anders moet zijn. Dit gebeurde me laatst in de Blokker, waar een groep schoolkinderen voor de grap alle wekkers om kwart over drie had af laten gaan. Ik raakte zo van streek dat ik bij het verlaten van de winkel een oud echtpaar omver liep. Daar zien ze mij niet snel meer terug.
Was het niet Paul Theroux die zei dat het de grootste misdaad tegen de mensheid is geweest om de twee toch al verwerpelijke objecten ‘de klok’ en ‘het alarm’ samen te voegen?
Na het Blokker incident was ik zo aangedaan dat ik die avond vergat mijn wekker te zetten. Of het nu bewust was of onbewust, daar kan ik niet veel over zeggen, maar het is in ieder geval een feit dat het haast wel op een fiasco uit moest draaien, gezien de vroege afspraak die ik de volgende morgen had.
Niets van dit alles was echter het geval.
De volgende ochtend opende ik mijn ogen met een rust die ik niet eerder voelde.
De wereld stelde zich scherp en in een soepele beweging stond ik naast mijn bed.
Terwijl ik door het raam naar buiten staarde realiseerde ik me dat ik uit mezelf wakker was geworden.
Zonder wekker.
Sindsdien zet ik het ding nooit meer. Ik kijk er alleen elke ochtend op om te zien dat ik stipt op tijd wakker ben geworden.
Check out other blogs here!HUGE